Voorkomen
Een vrij algemene soort die verspreid voorkomt in vochtige terreinen en moerassen in het binnenland.
Een algemene soort die lokaal voorkomt op de zandgronden in het binnenland en vooral ook elders meer in de duinen, zoals op de Waddeneilanden vrij gewoon. Op heidevelden en in naaldbossen. Daarbuiten ontbrekend of zeldzaam.
Herkenning
Vliegtijd van begin mei tot half augustus. De vlinders zijn lichtgeelbruin of bruingele, sterk gestippeld met bruinzwart, doch minder dan bij A. micana. De zilverachtige dwarsbanden sterker gegolfd, onregelmatig licht olijfkleurig gedeeld: de eerste band op 1/4, een weinig gezaagd; de tweede band sterk en regelmatig gegolfd, samenhangend met een ronde vlek op de bovenhoek van de cel; een los dubbel en vier enkele voorrandshaakjes. Achtervleugel grijsbrons. Gezegd kan wel worden, dat deze soort in tekening en soms in tint variabel kan zijn (Bentinck & Diakonoff, 1968a).
Levenswijze 'biologie'
De rups leeft in mei en juni op allerlei soorten mossen (Razowski, 2003a) maar deze informatie is waarschijnlijk gebaseerd op vondsten van volgroeide rupsen, beter is het vermoeden te geven dat de rupsen al vanaf de herfst te vinden zijn. Naar Bentinck & Diakonoff (1968a) leven de rupsen in spinsels tussen mossen. De rups is bruin tot roodachtig bruin, de kop, het nekschild, de poten en het anale schild zijn zwart of zwartbruinig (Bradley et al., 1979a).
Etymologie
In de naam wordt verwezen naar de talloze lijnen bij deze soorten; deze soort kan expliciet donkerder van (roder) kleur zijn als P. micana. Bladroller is afgeleid van de familienaam bladrollers, ook al leeft deze soort niet expliciet als bladroller. Naam herzien volgens de errata (V.1).
Synoniemen: = grondlijnbladroller (Muus & Zwier, eds. 2009)
Waardplanten of voedsel Voor referenties, zie linkermenu "Bronnen"
Verscheidene mossen (o.a. Dicranum) (Razowski, 2003a).
Links
Bekijk deze soort op Lepiforum.
|