WETENSWAARDIGHEDEN
 
Afmeting in spanwijdte
N.v.t.
Nationale status
inheems
Voorkomen:
vrij algemeen
Migrant?:
nee
 
HERKENBAARHEID
   
 
TOE- OF AFNAME (TREND)
 
Toename.
 
RECENTE VONDSTEN
 
Kaarten op Waarneming.nl
 
FOTO AANBIEDEN
 
Hoe kan ik bijdragen?
 
AUTEUR(S)
 
Muus, T.S.T. | Bronnen
 
LAATSTE AANPASSING
 
May 7, 2012, 2:15 am
Familie: Psychidae, zakdragers (subfamilie Psychinae)
 
 
hoornzakdrager
Luffia ferchaultella (Stephens, 1850)
 
Vliegtijddiagram
Zak, bestaande uit algen (leg/det/foto: T. Muus, Lexmond, Prov. Utrecht, 10.iii.2007)
 
 

Luffia ferchaultella in Nederland

Een vrij algemene soort, die soms zeer talrijk aanwezig kan zijn. Het hoofdzakelijke verspreidingsgebied ligt in de provincies Zeeland, Zuid-Holland, Utrecht en Noord-Holland. Er zijn ook enkele waarnemingen bekend uit Noord-Brabant. Recentelijk ook zuidelijker, zoals in Zuid-Limburg (Sint-OdiliŽnberg, 2012 - Clerx & Muus, Maastricht, 2012 - Muus). In het noorden en oosten van het land zijn er vrijwel geen waarnemingen (slechts bekend zijn ťťn zakje uit Wezep, 1996 - Huisman; Steenwijk, 2010; Meppel, 2011; Leeuwarden, 2012 - Muus) en is daar ook erg zeldzaam tot mogelijk ontbrekend, de soort blijkt wel gezien te zijn op Terschelling (opnieuw in 2010, Muus).

Een verklaring voor de verspreiding is mogelijk te wijten aan de luchtkwaliteit (met name de hoeveelheid stikstof en CO2), die in het stedelijk gebied mogelijk hoger is dan op andere plaatsen. Temperatuursinvloeden kunnen waarschijnlijk ook invloed hebben.

Herkenning

Adulte stadium in juni en juli. In ons land kennen we uitsluitend de parthenogenese vorm, L. lapidella f. ferchaultella (hoewel deze door Fauna Europaea als aparte soort wordt beschouwd). Het onderscheid tussen beide vormen of soorten is niet op te maken op basis van de zak. De vlinders van de niet in Nederland voorkomende gevleugelde (seksuele) vorm (f. lapidella) zijn grijs van kleur (mannetjes), wijfjes vleugelloos en mannetjes bezit sterk gevederde voelsprieten. Het is niet onmogelijk dat zeer kleine schaal bij toeval een seksuele vorm ontstaat in ons land.

Levenswijze 'biologie'

Eitjes worden in juni-juli afgezet in de zak waarna de rupsen zich voeden met het aanwezige voedsel in de directe omgeving. De zak (5-7 mm, 2-3 breed) kan uit verschillende materialen bestaan, vooral uit boomalgen en zandkorrels. De zakvorm is kenmerkend, deze is van breed naar smal, als een soort kromme hoorn. In het achterste deel van de zak zit een kleine opening waar de uitwerpselen de zak verlaten. Het rupsenstadium duurt volgens Hšttenschwiler (1985a) van augustus, tot na de overwintering, mei. De kop is zwart, het lichaam grijsachtig geel, thoraxsegmenten 1 zwart, 2 en 3 elk met een zwarte plaat die wordt onderbroken door een gele vlek. Het eerste abdominale segment met een opvallende gele dorsale plaat.

De rupsen stellen weinig eisen wat betreft voedselkeuze. De meeste rupsen worden aangetroffen op belangde loofbomen (eik, beuk, linde) bij bosranden, parken, duinen, langs wegen en bij spoorwegen. De soort is ook wel bij huizen waargenomen levend bij kozijnen en op muren, maar ook zelden binnenshuis (med. A. de Wilde).

Etymologie

Verwijst naar de hoornvormige larvale zak.

Waardplanten of voedsel Voor referenties, zie linkermenu "Bronnen"

Algen, plantaardige materialen; waaronder korstmossen.

 



 
 
  © All content copyright www.microlepidoptera.nl and allied photographers.