WETENSWAARDIGHEDEN
 
Afmeting in spanwijdte
13-17 mm
Nationale status
inheems
Voorkomen:
zeer zeldzaam
Migrant?:
nee
 
HERKENBAARHEID
   
 
TOE- OF AFNAME (TREND)
 
Toename.
 
RECENTE VONDSTEN
 
Kaarten op Waarneming.nl
 
FOTO AANBIEDEN
 
Hoe kan ik bijdragen?
 
AUTEUR(S)
 
Muus, T.S.T. | Bronnen
 
LAATSTE AANPASSING
 
April 9, 2010, 3:39 pm
Familie: Psychidae, zakdragers (subfamilie Epichnopteryginae)
 
 
kustzakdrager
Whittleia retiella (Newman, 1847)
 
Vliegtijddiagram
Adult, mannetje (leg/det/foto: K. van Bochove, Kooiplaats, Schiermonnikoog, Prov. Friesland, 30.iv.2009)
 
Er zijn momenteel geen extra afbeeldingen.
 

Whittleia retiella in Nederland

W. retiella is een kleine zakdrager die voorkomt langs de kust (bij voorkeur in kwelders) en op vochtige gebieden in het binnenland. In 1935 werd de soort gevonden in de Hollandse Rading en in 1959 te Diemen. De soort is gezien in Zeeland, op de Waddeneilanden (Terschelling (1992), Ameland, Schiermonnikoog (2009 zie foto), Griend (2005)), Groningen (te Haren, 1979). Op basis van collectieinventarisatie door de auteur. Slechts een dag later werd de soort op 26.iv.2005 ook aangetroffen bij Wijnjewoude in dezelfde provincie, de eerste waarneming voor het vasteland van Friesland. Elders is de soort sporadisch gevonden in de Weerribben en omringende gebieden.

Herkenning

De soort is als vlinder te vinden in april en mei. De wijfjes zijn vleugelloos, de antennen ontbreken geheel. Lichaam oranjebruinig met donkere platen op elk segment. Mannetjes bezitten wat vuilwitte voorvleugels met een grote reeks aan donkere (donkerbruine) vlekken, zij zijn daarmee goed te onderscheiden van andere soorten. Voelsprieten bestaande uit 12 tot 14 segmenten en sterk gevederd (met veel ruimte tussen elke vertakking). De mannetjes kunnen met name in mei overdag worden gesleept uit de vegetatie wanneer zij laag over de vegetatie vliegen, op zoek naar wijfjes.

Levenswijze 'biologie'

De eieren worden afgezet in de pophuls, die na 4 tot 5 weken uitkomen. De rupsen leven van grassen en verbergen zich goed tussen de vegetatie. De zak is schaarser bekleed met grasstengels, dan gebruikelijk is bij Psyche en Epichnopterix plumella. De lengte van de zak bedraagt 8 tot 12 mm, is vrij smal en soms lang. De rups is gelig, met bruinige schilden over de thorax. De kop is zwart (Hättenschwiler, 1985a).

Etymologie

Komt vooral langs de kust (eilanden, kwelders) voor.

Waardplanten of voedsel Voor referenties, zie linkermenu "Bronnen"

Grassen, in het speciaal gewoon kweldergras (Puccinellia maritima) (Hättenschwiler, 1985a). Uit Nederland en België ook gevonden op absintalsem (Artemisia) en melde (Atriplex) in zilte gebieden (Jansen, 2008a).

 



 
 
  © All content copyright www.microlepidoptera.nl and allied photographers.